Kokosnoot of klapper

De kokosnoot werd vroeger in het Nederlands vroeger vaak klapper genoemd. Het is de rijpe steenvrucht van de kokospalm. Ondanks diens naam is het dus geen noot. De kokospalm groeit tegenwoordig in vrijwel alle warme kuststreken ter wereld. Veel eisen stelt de boom niet: warmte, zon en voldoende vocht zijn genoeg om hem tot soms indrukwekkende hoogte te laten uitgroeien. Sommige stammen bereiken wel 25 meter en zijn herkenbaar aan de ringen van afgevallen bladeren. Er bestaan echter ook dwergvormen.
[Bron: www.indischkookboek.nl]

Een kokosnoot wordt meestal geplukt wanneer hij nog groen en rijp is. Daarna laat men hem verder rijpen en drogen, waardoor de schil bruin wordt en het vruchtvlees stevig en helderwit. Laat je de vrucht aan de palm hangen, dan gebeurt dit proces op natuurlijke wijze totdat de noot uiteindelijk loslaat en naar beneden valt. In het Maleis heet de vrucht kelapa, en daar komt het Nederlandse woord 'klapper' vandaan. De term klappernoot is dus eigenlijk foutief en een soort doublure.

Wie een kokosnoot (met de nodige moeite) openmaakt, ontdekt dat de vrucht uit drie lagen bestaat. De buitenste laag is een circa vier centimeter dikke vezelwand (saboet), die traditioneel wordt gebruikt voor matten, borstels en touw. Daarbinnen zit de harde, donkerbruine schaal (batok), waar ambachtslieden lepels, kommen en siervoorwerpen van maken. Pas daarbinnen bevindt zich het eetbare deel: het kiemwit en het klapperwater. Bij jonge vruchten is het vruchtvlees zacht en bijna puddingachtig; bij oudere vruchten vormt zich een stevige laag van één tot anderhalve centimeter dik.

Het heldere klapperwater is steriel en lichtzoet, en kan in tropische gebieden zelfs dienen als veilig drinkwater. De bekende klappermelk (santen) is géén natuurproduct, maar ontstaat door geraspte kokos met water te mengen en uit te persen. Dikke santen komt van de eerste persing (extra vergine?), dunne santen van de tweede. Beide vormen zijn onmisbaar in talloze Indische en Zuidoost-Aziatische gerechten, van romige curries tot zoete desserts.

De kokosnoot levert bovendien een indrukwekkende reeks bijproducten. Van het kiemwit wordt kopra gemaakt, de basis voor klapperolie. Het woord 'kopra' kunnen we terugvoeren tot het Sanskriet, waar kapālaḥ 'schedel' betekende. Het sap van de bloeiwijze wordt ingekookt tot gula kelapa, een aromatische palmsuiker. Zelfs de stam en bladeren van de palm vinden hun weg in het dagelijks leven: als dakbedekking, vlechtwerk, speelgoed of zelfs als geïmproviseerde brug over smalle riviertjes.

Reacties